Anonymous of Holland            -A Dutchman in Korea-

    Helo welcom 2 my websight

Bachelor Scriptie

Nu m’n scriptie een tijdje terug al met een delicious 8.5 bekroond is, durf ik ‘m ook wel online te zetten, dus after the break een (waarschijnlijk héél erg slecht opgemaakte) (wegens web-log.nl, niet vanwege mijn awesome scriptie) volledig, slaapverwekkend en veel te lang verhaal over HET ROMEINSE RECHT!
(Are you excited yet?)

Ex iure Quiritium
Oud recht in een nieuw jasje

Inleiding
§1 Senex

Marcus Cassius Avitus sluit de houten deur van zijn domus achter zich. Het was een warme, zonnige dag in het Rome van 100 Na Christus. Marcus Cassius slaat een zijweg in, op weg naar het Argiletum kwartier. De oude man verlangt naar een nieuw episch verhaal en stapt de taberna van Claudius Bonus binnen.
‘Salutat, Marcus!’ hoort hij van ergens achter in de winkel, amper hoorbaar in het gebruis van de menigte, roepen.
‘Salutat, Claudius!’
Marcus Cassius kende Claudius goed; hij kocht hier zijn boeken al sinds hij nog jong was en onder de potestas van zijn wijlen vader stond. Zonder er goed over na te denken, grijpt de oude man een rol van een stapel en baant zich een weg naar zijn vriend.
‘Drukke dag vandaag,’ zucht hij terwijl hij de boekrol van Bellum, Sacrum Bellum, op de toonbank legt.
‘Elke dag is een drukke dag in een winkelstraat van Rome, mijn vriend.’ antwoordt Claudius met een lach op zijn gezicht. ‘Hier,’ zegt hij, ‘neem je boek en vertrek via de achterdeur, het is altijd minder druk in de steegjes.’
De oude man gooit wat sestertiën op de toonbank en verlaat met een ‘Bene vale!’ de boekwinkel.
Claudius had gelijk, de straten van Rome waren dag en nacht gevuld met mensen die aan en af liepen, lastdieren en grote karren die hout en steen vervoerden. De steegjes waren echter ook geen pretje, vooral hier, zo dicht bij de suburba.
‘Het zou de jeugd van tegenwoordig goed doen eens wat langzamer te leven..’
‘Festina lente,’ dacht hij, voordat hij de houten deur van zijn domus weer achter zich sloot.

§2 Uiteenzetting

Dit is een voorbeeld van hoe een dag in het leven van een oude man eruit zou kunnen hebben gezien in de periode waar deze scriptie zich mee bezig houdt. Ik heb het dan over de periode van 27 voor Christus tot 235 na Christus, ook wel bekend als de Klassieke Tijd. De hoofdvraag van dit stuk is: “Zou het Klassiek Romeins recht met betrekking tot de eigendomsoverdracht in de hedendaagse Nederlandse samenleving nog succesvol toegepast kunnen worden?” Een vraag die mij al bezig houdt sinds ik voor het eerst met het Romeinse recht in aanraking ben gekomen.

Als iemand u vraagt een beeld op te roepen bij ‘de Romeinen’ is er een grote kans dat het eerste waar u aan denkt beelden zijn van de grootsheid van het Romeinse keizerrijk: het Colosseum; de Amphitheaters; het Forum Romanum; gladiatorengevechten; paleizen overspoeld met marmeren versieringen. Iemand die een rechtskundige opleiding genoten heeft, zal al snel denken aan de Praetoren, het formula proces, de Digesten van Justinianus en de Instituten van Gaius. Er zijn slechts weinig mensen die zich in de eerste plaats zullen afvragen hoe alles in dit enorme rijk in goede banen geleid werd, en nog minder zullen zich geïnteresseerd afvragen welk achterliggend rechtssysteem in die tijd gebruikt werd om de orde te handhaven. Alleen in Rome al woonden mogelijk zo’n 750.000 mensen en toch werd ook daar de rust bewaard.
Als men vervolgens denkt aan ‘het Romeinse recht’, ziet men al gauw een archaïsch systeem voor zich; als men zich überhaupt al enig beeld kan vormen (onderricht in het Romeins rechtsstelsel ontbreekt helaas volledig in het Gymnasiaal onderwijs).

Mensen met wat meer kennis van zaken zullen erkennen dat het meeste, al dan niet alle, recht op een of andere manier terug te voeren is tot de Romeinen, en dat wij hen, natuurlijk niet alleen op juridisch gebied, veel te danken hebben.
Een vraag die bij mij zoals gezegd al snel opkwam, was of het rechtssysteem wat blijkbaar goed genoeg heeft gewerkt voor een wereldrijk als dat van de Romeinen, niet ook in ons kleine kikkerlandje toepasbaar zou kunnen zijn. Zou het immers niet een teken van grootheidswaanzin zijn om met een stalen gezicht te durven beweren dat het systeem wat wij gebruiken beter of meer ontwikkeld is dan dat van een rijk wat zich anderhalf millennium staande heeft weten te houden in een wereld onder de voet gelopen door barbarisme?

Vandaar dat ik mij in deze scriptie bezig ga houden met een klein deel van dit klassieke Romeinse recht, en wel de eigendomsoverdracht. Ik heb voor dit specifieke onderdeel van het recht gekozen omdat het formele karakter van het Romeinse recht hierin mooi naar voren komt en een vergelijking met het hedendaagse recht iets meer voor de hand ligt vanwege de geschiedenis van het NBW, wat grotendeels gebaseerd is op de Code Civil, die dan weer gebaseerd is op de receptie van het Romeins recht. Dat ik voor de klassieke periode van het Romeinse rijk heb gekozen, heeft ook te maken met mijn voorliefde voor het ‘ouderwetse’ formalisme, wat in die periode nog volop aanwezig was in het rechtsstelsel, maar in het latere Keizerrijk (met als toppunt de Digesten van Justinianus) jammerlijk volledig verdwenen was.

Allereerst zal het Romeinse rechtssysteem met betrekking tot eigendom, met de nadruk op eigendomsoverdracht, worden beschreven, waarbij we stil staan bij achtereenvolgend de in iure cessio, de mancipatio en de traditio.
Vervolgens zullen we zien op welke hedendaagse mogelijkheden van eigendomsoverdracht zij lijken, waarbij hoofdzakelijk wordt gekeken naar de overeenkomsten tussen het Romeins en het modern Nederlands systeem.
Op basis van deze vergelijking zullen we zien of er iets gezegd kan worden over de bruikbaarheid van deze oude instituten in de huidige Nederlandse staat.

We sluiten, zoals het hoort, af met een conclusie.


Hoofdstuk I — Dominium Transferre

§1 Algemeen

Voor we gaan kijken naar de wijzen waarop men in de klassieke Romeinse tijd eigendom over een zaak kon overdragen, is het nuttig om eerst wat te vertellen over het achterliggende systeem.

‘Res’, of ‘zaak’, omvatte in de Romeinse tijd alles wat stoffelijk is. In ruimere zin omvatte het ook alle op geld waardeerbare vermogensrechten.
Gaius deelde res op in res divini iuris en res humani iuris. Res divini behoren toe aan een godheid, en konden dus geen onderwerp zijn van eigendomsrechten. Deze categorie werd verder onderverdeeld in res sacrae, res religiosae en res sanctae. Res sacrae zijn zaken zoals tempels en de omliggende gronden, die door priesters voor geloofsdoeleinden gebruikt werden. Res religiosae zijn alle plaatsen waar een persoon begraven lag, mits dit rechtvaardig was gebeurd. Res sanctae ten slotte zijn de stadsmuren, die vanwege hun beschermende werking evenveel bescherming genoten als de res sacrae. De res humani deelde Gaius op in res privatae en res publicae. Res privatae zijn zaken die een privaat persoon in eigendom (kunnen) toebehoren. De res publicae werden dan weer onderverdeeld in res communes (zaken die eigendom zijn van iedereen, zoals de zee en de lucht) en res publicae in enge zin (zaken die eigendom zijn van de staat, maar door iedereen gebruikt kunnen worden, door Justinianus res universitatis genoemd ). Als overkoepelende verdeling gebruikte Gaius res in patrimonium nostrum, waar de res privatae onder vielen, en res extra patrimonium nostrum: alle res divini en res publicae.

Met betrekking tot deze zaken kon men hoofdzakelijk in twee goederenrechtelijke posities verkeren: ofwel men had simpelweg possessio, ofwel men had dominium (wat al dan niet gepaard kon gaan met daadwerkelijke possessio).
Dominium is waar we ons in deze scriptie mee bezig gaan houden, maar voor een goed begrip van het Romeinse stelsel is een korte uitleg van possessio ook van belang.
Zoals Spruit het in Cunabula iuris zo mooi omschrijft: ‘Bezitten is de rechtens erkende uitoefening van de feitelijke heerschappij over een zaak.’ Vooral het ‘rechtens erkende’ is van belang in de Romeinse tijd, daar possessio toentertijd een beschrijving was van de feitelijke toestand van iemand die door middel van een interdict gelijk had gekregen. In een procedure voor de praetor werd hem toegezegd dat hij het bezit over de zaak had en mocht houden, tot er iemand met een beter recht opdaagde. Deze toezegging gold tegenover iedereen, wat de positie van possessor bijzonder aantrekkelijk maakte. Een possessor werd namelijk via interdicten beschermd tegen inbreuken op de bestaande situatie.

Een possessor had echter nog geen dominium, en zijn ‘recht’ kon door iemand die wel dominium had dan ook volledig van tafel geveegd worden.
Dominium was namelijk het meest omvattende recht wat je met betrekking tot een zaak kon hebben, en wie zijn dominium kon bewijzen, had weinig meer van anderen te vrezen. De belangrijkste vorm van dominium was het dominium ex iure Quiritium, wat was voorbehouden aan Romeinse burgers. Niet alle zaken kwamen in aanmerking voor dit dominium: het was beperkt tot roerende zaken en grond gelegen in Italië. De enige manier om dit meest volledige recht te verkrijgen, was op een wijze die door het ius civile erkend was, waaronder de drie soorten van eigendomsoverdracht die wij hier gaan verkennen.

Maar voor we daaraan toekomen, wil ik graag eerst even kijken naar
de zaken die in de Romeinse tijd niet konden of mochten worden vervreemd.
Een zaak, met betrekking waartoe een proces aanhangig was, mocht gedurende de looptijd van dit proces niet worden vervreemd. Ook land waarvan een man eigenaar is geworden doordat het deel uitmaakt van de bruidschat van zijn vrouw, mocht hij op grond van de lex Iulia de fundo dotali niet vervreemden zonder toestemming van zijn vrouw. Bovendien kon een voogd het land wat aan zijn pupillus toebehoort niet overdragen, omdat dit volgens keizer Septimius Severus niet tot zijn takenpakket behoort.
Naast deze zaken, zijn er ook zaken die nimmer in privaat eigendom konden komen, omdat zij eigendom zijn van iedereen (res communes), alle Romeinse burgers (res publicae), of zelfs van de Goden (res divini iuris). Het spreekt voor zich dat deze zaken dus ook niet konden worden vervreemd.

Er waren ook personen, die in principe niets mochten vervreemden. Slaven, bijvoorbeeld, konden voor zichzelf niets in eigendom houden, tenzij hun meester het hen toestond (het peculium). Overdrachten van goederen, die buiten dit peculium vielen, gemaakt door een slaaf waren in principe niet rechtsgeldig, maar de verkrijger te goeder trouw kon via usucapio (verkrijgende verjaring) na één jaar (bij roerende goederen) wel rechtmatig eigenaar worden. Zoons die onder de potestas (vaderlijke macht) van hun vader stonden, hadden ook een eigen peculium waar ze vrij over mochten beschikken. Al het eigendom wat zoons en dochters verworven werd echter, net als bij de slaaf, automatisch eigendom van hun vader. Ook vrouwen in manu van hun man hadden een eigen peculium en verkregen, als iemand eigendom aan hen overdroeg, voor hun man. Vrouwen en minderjarigen die niet onder potestas stonden, stonden vaak onder voogdij. Zij konden dan zonder de toestemming van hun voogd geen res mancipi in eigendom overdragen. Peregrini, niet Romeinse burgers, waren zelfs volledig uitgesloten van het ius civile en konden dus überhaupt geen dominium ex iure Quiritium hebben. Hoe zij dan toch deelnamen aan het goederenrechtelijk verkeer is ons helaas grotendeels onbekend. Het enige wat zeker is, is dat de traditio, als minst formele wijze van eigendomsoverdracht, voor hen wel open stond.

Zaken die niet van overdracht waren uitgesloten, konden op drie manieren in eigendom overgedragen worden: door middel van de in iure cessio, mancipatio of traditio.

§2 In iure cessio

“De [in iure cessio] geschiedt op de volgende wijze: in tegenwoordigheid van een ambtsdrager van het Romeinse volk — met name een praetor — spreekt degene aan wie de zaak wordt overgedragen, terwijl hij deze vasthoudt, de volgende woorden uit: IK BEWEER DAT DEZE SLAAF MIJ NAAR QUIRITISCH RECHT TOEBEHOORT. Nadat deze partij heeft gevorderd, vraagt de praetor vervolgens aan degene die overdraagt, of hij een tegenvordering wil instellen. Als deze daarvoor bedankt of zwijgt, wijst hij de zaak toe aan de vorderende partij.”
– Gaius II, 24.

De in iure cessio was in essentie een schijnproces, en volgde de regels van de legis actio sacramento in rem. Zoals in het bovenstaande citaat van Gaius te lezen is, claimt degene die eigenaar van de zaak wilde worden dat de zaak van hem was, waarop degene die de zaak wilde overdragen zwijgt. De praetor geeft de eiser gelijk en wijst hem het eigendom toe.
Al in de klassieke tijd was deze vorm van eigendomsoverdracht niet bijzonder populair: Gaius zegt in boek II, fragment 25 van zijn Instituten al dat de Romeinen bij res mancipi de voorkeur gaven aan mancipatio, omdat in iure cessio een “grotere inspanning ten overstaan van de magistraat” vereist. Buckland trekt daaruit de (mijns inziens logische) conclusie dat men dan waarschijnlijk voor res nec mancipi, waarvoor in iure cessio of mancipatio niet verplicht was, het veel minder omslachtige traditio had gebruikt, waardoor in iure cessio vermoedelijk in de oudheid al slechts nog gebruikt werd voor ‘overdracht’ van vorderingsrechten en andere incorporele zaken als erfdienstbaarheden, vrijheid van slaven en voogdij over kinderen. In iure cessio was dan ook dé aangewezen wijze voor overdracht van dergelijke rechten.

§3 Mancipatio

“De mancipatio is, zoals wij al eerder gezegd hebben, een soort van symbolische verkoop. Ook deze rechtshandeling is eigen aan de Romeinse burgers en wordt op de volgende wijze verricht: er worden tenminste vijf volwassen Romeinse burgers als getuigen opgeroepen en voorts nog iemand die dezelfde staat heeft en die de bronzen weegschaal moet hanteren; laatstgenoemde wordt ‘libripens’ genoemd. In hun bijzijn spreekt degene aan wie vormelijk overgedragen wordt, terwijl hij een stukje brons vasthoudt, het volgende uit: IK BEWEER DAT DEZE SLAAF MIJ NAAR QUIRITISCH RECHT TOEBEHOORT, EN HIJ ZIJ DOOR MIJ GEKOCHT MET DIT BRONS EN DEZE BRONZEN WEEGSCHAAL. Vervolgens tikt hij met het stukje brons tegen de weegschaal en geeft het zogenaamd als koopprijs aan degene door wie aan hem wordt overgedragen.”
-Gaius I, 119.

De mancipatio werd gebruikt bij overdracht van res mancipi. Deze categorie zaken omvatte grond binnen Italië, slaven, trek- en lastdieren en landelijke erfdienstbaarheden. De reden dat slechts deze zaken belangrijk genoeg zijn geacht om via een speciale wijze overdragen te worden (ofwel via de mancipatio, ofwel via de in iure cessio) ligt in het verleden, in de tijd dat het onderscheid gemaakt werd. Het zijn de zaken die in een jonge, agrarische cultuur onontbeerlijk waren, wilde je overleven.
De algemene leer is dat via mancipatio alleen res mancipi van eigenaar konden wisselen, maar volgens Mommsen werd deze vorm van eigendomsoverdracht in de oudheid gebruikt voor alle zaken en is de beperking tot res mancipi een misinterpretatie van latere tijden.

Mancipatio werd niet alleen gebruikt voor eigendomsoverdracht, maar ook voor koop op termijn, schenking, verstrekking van een dos en meer van dergelijke zaken. Dit was mogelijk sinds de tijd van gemunt geld, waarin het daadwerkelijk afwegen van het brons in de weegschaal niet meer nodig was en dus achterwege kon worden gelaten.

De procedure was dus zoals hierboven gezien als volgt: degene die het eigendom wilde verkrijgen, greep de zaak vast terwijl hij de rituele woorden uitsprak, onder toeziend oog van vijf getuigen, de weegschaalhouder en degene die de zaak wilde overdragen. Hij tikte dan met een muntje tegen de weegschaal, en overhandigde het muntje aan degene die afstand deed van zijn eigendom, als symbool van de koopprijs. De daadwerkelijke koopprijs kon hiervóór al betaald zijn, of zelfs nog nader overeen te komen.
De heersende leer is dat de vijf getuigen symbool staan voor de vijf klassen waarin Servius Tullius de samenleving indeelde rond het jaar 540 voor Christus, maar een afwijkende en mijns inziens erg overtuigende leer, die van Hazewinkel-Suringa, houdt in dat de vijf getuigen vijf familieleden van de vervreemder waren, die omwille van het grote belang wat gemoeid was met res mancipi hun goedkeuring dienden te geven voordat de verkoop door kon gaan.
Wat in ieder geval wel zeker is, is dat de vijf getuigen bedoeld waren om de publiciteit van de overdracht te bevorderen.

§4 Traditio

“Want res nec mancipi worden door de enkele overgave [traditio] volle eigendom van een ander, als zij tenminste lichamelijk zijn en daarom vatbaar zijn voor overgave.”
– Gaius II, 19.

Traditio is de laatste, en minst formele, vorm van eigendomsoverdracht die we hier bespreken. Om eigendom succesvol via traditio over te laten gaan, moest aan de volgende eisen voldaan zijn: feitelijke bezitsverschaffing; beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder; wilsovereenstemming en een iusta causa. Bezitsverschaffing was de pijler waarop het instituut van de traditio gebouwd was: de verkrijger werd bij traditio altijd bezitter, maar of hij ook eigenaar werd, hing af van de overige vereisten. Een persoon kan niet meer overdragen, dan hij zelf heeft (
de nemo-plus regel): slaven, kinderen, en geestelijk gestoorden waren in principe dus niet in staat succesvol eigendom over te dragen, en iemand die geen eigenaar was, kon de eigendom over een zaak ook niet overdragen aan een ander. Daarnaast moet de wil van de vervreemder ook gericht zijn op het overdragen van de eigendom, en moet de wil van de verkrijger gericht zijn op het voor zichzelf gaan houden van het over te dragen goed. Zonder wilsovereenstemming kan een handeling immers nooit tot enig rechtsgevolg leiden.

Over de laatste voorwaarde, de iusta causa, is (en wordt nog steeds) veel gediscussieerd. Wat duidelijk is, is dat onder de iusta causa verstaan moet worden “omstandigheden, die [de overgang van eigendom] in het algemeen rechtvaardigen.” Waar onenigheid over bestaat, is of de iusta causa perse ‘iusta’ (rechtsgeldig) moest zijn, of niet. Aanhangers van het causale stelsel, stellen dat een ongeldige causa in de Romeinse tijd leidde tot het nietig verklaren van de rechtshandeling waar het de grondslag voor vormde, en de eigendom dus niet overging. Aanhangers van het abstracte stelsel stellen echter dat de objectieve geldigheid van de causa er niet toe doet, en dat het voldoende is dat de causa, áls deze rechtsgeldig geweest zóu zijn, een reden voor eigendomsoverdracht zou zijn geweest.
Een ander punt van discussie met betrekking tot de traditio ligt in de zogenoemde prijsbetalingsregel die wordt afgeleid uit D. 18, 1, 19 en inhoudt dat eigendom bij koop pas over zou gaan op het moment dat de verkrijger de koopprijs betaald heeft. De heersende leer acht dit echter een latere toevoeging van Justinianus en
wij zullen hier dan ook in meegaan.

§5 De Praetor schiet te hulp

Alles was echter nog niet verloren als een Romeins burger zich niet aan de strenge formele regels van het goederenrecht hield. Al snel werd namelijk wat wij tegenwoordig het praetorisch eigendom noemen ontwikkeld, waarbij iemand die het eigendom van een res mancipi niet op de voorgeschreven wijze (door middel van mancipatio of in iure cessio) had verkregen (en dus technisch gezien überhaupt geen eigenaar was) door de praetor dusdanig werd beschermd dat ook hier zonder twijfel van eigendom gesproken mag worden. Tegen de dominus ex iure Quiritium kon de verkrijger de exceptio rei venditae ac traditae inroepen, en tegen alle anderen kon hij zijn recht kracht bijzetten door middel van de actio Publiciana: een juridische fictie die er vanuit ging dat de tijd, nodig voor usucapio (voor roerende goederen één jaar), reeds was verstreken en dat de praetorisch eigenaar dus volledig eigenaar ex iure Quiritium geworden was.


Hoofdstuk II — De appel valt niet ver van de boom

§1 Inleiding

Nu we weten hoe het Romeins goederenrechtelijk systeem in elkaar stak, is het moment daar om dit eeuwenoude systeem te vergelijken met het hedendaags Nederlands stelsel van eigendomsoverdracht. Een vergelijking van beide systemen kan ons hulp bieden met betrekking tot de hoofdvraag, namelijk of het Romeinse systeem ook in de huidige tijd nog zou kunnen werken. Als er immers voldoende overeenkomsten tussen beide stelsels bestaan, zou dat in ieder geval een sterke aanwijzing zijn voor de mogelijkheid dat de een de ander zou kunnen vervangen.
Voor de doeleinden van deze tekst is het vooral van belang in te gaan op mogelijke overeenkomsten tussen beide systemen, niet op de (ongetwijfeld) talrijke verschillen die als gevolg van de ondertussen al meer dan twee millennia grote kloof tussen ons huidige recht en het recht van de klassieke oudheid vanzelfsprekend bestaan. Dat allerlei technische ontwikkelingen en veranderde opvattingen hebben geleid tot twee volledig uiteenlopende systemen spreekt voor zich; maar zou het niet zo zijn dat er in ons moderne, nieuwerwetse rechtssysteem nog sporen van vroeger te vinden zijn?

§2 In iure cessio en de rituele weddenschap om de proceskosten

Van de in iure cessio, in de oudheid al niet bepaald populair, is in ons Nederlands rechtssysteem in ieder geval niets meer te bekennen. De enige vergelijking die we mogelijk kunnen trekken is die met een revindicatieproces, maar dergelijke rechtszaken worden tegenwoordig niet meer gezien als een geldige vorm van eigendomsoverdracht. We gebruiken rechtszaken om juridische geschillen uit te vechten, of om de rechter te vragen iets bij rechte vast te stellen, niet om een zaak in eigendom over te dragen. Toch kunnen we even kijken of er geen overeenkomsten zijn tussen de procedure die bij de in iure cessio gevolgd werd (de legis actio sacramento in rem) en de gang van zaken bij een hedendaagse rechtszaak.

De legis actio procedure bestond uit twee fasen: de eerste, in iure, speelde zich af voor de praetor en de tweede, apud iudicem, voor de iudex (de rechter). Het was essentieel dat beide partijen op de zitting verschenen, zodat zij voor de praetor de formele bewoordingen konden uitspreken. Daarnaast moest ook de zaak, waar het geschil betrekking op had, aanwezig zijn, daar zij een wezenlijke rol speelde in het proces. De eiser pakt namelijk met zijn hand deze zaak beet en in zijn andere hand houdt hij een staf, waarmee hij de zaak aanraakt, terwijl hij tegelijkertijd de volgende woorden uitspreekt: “Ik beweer dat deze slaaf mij naar Quiritisch recht toebehoort op grond van zijn rechtspositie; zie toe gij: overeenkomstig hetgeen ik gezegd heb, heb ik hem de staf opgelegd.” In het geval van in iure cessio eindigt het proces hier, en wijst de praetor de zaak aan de eiser toe omdat de gedaagde zwijgt. In reguliere legis actio procedures volgt de gedaagde hem echter met precies dezelfde handeling en woorden, waarop de praetor beide aanwezigen gelast de zaak los te laten. Hierna daagt de eiser gedaagde uit met een rituele weddenschap, de provocatio sacramento: “Vermits gij onrechtmatig hebt gevorderd, daag ik u uit tot een rituele weddenschap om 50 asses.”

Degene die uiteindelijk in de tweede fase van de iudex gelijk zou krijgen, kreeg zijn inzet terug, maar degene die in het ongelijk gesteld werd, zag zijn 50 as in de koffers van de staat verdwijnen.
Op dit punt begon de tweede fase. Er werd een iudex geselecteerd uit een lijst met namen van burgers uit de hogere klasse en er werd een datum gesteld voor de volgende zitting. Op deze zitting proberen beide partijen aan te tonen dat zij het beste recht op de zaak hebben: bijvoorbeeld door te stellen dat ze al meer dan een jaar in het bezit van de zaak waren; door degene van wie ze de zaak hadden verkregen op te roepen; of door op andere wijze de legitimiteit van hun eigendom te bewijzen. Uiteindelijk bepaalt de iudex welke partij het beste recht heeft, en wijst hem de zaak toe.

Een aantal verschillen met de huidige stand van zaken valt onmiddellijk op: in Nederland is het bijvoorbeeld niet verplicht voor partijen om op de zitting te verschijnen: zij mogen altijd verstek laten gaan. Dat de zaak, waarover het geschil gaat, aanwezig is in de zaal komt al helemaal zelden voor en zouden we tegenwoordig waarschijnlijk nogal vreemd vinden. En als we dát al vreemd vinden, dan toch zeker de rare rituele handelingen die eiser en gedaagde in de oudheid dienden uit te voeren, om überhaupt ontvankelijk te zijn.

Toch verschillen in iure cessio en het hedendaagse proces op dit punt niet heel veel van elkaar: we zullen in onze rechtszalen natuurlijk geen staven en touwtrekkende partijen vinden, maar ook hier komt het er in de kern op neer dat de ene partij zegt: “Deze zaak is van mij,” terwijl de andere partij die uitspraak betwist of zelf hetzelfde beweert. Ook de rituele weddenschap klinkt ons misschien vreemd in de oren, maar is het niet zo dat de partij die in ons systeem in het ongelijk gesteld wordt, voor de proceskosten op moet draaien? Het mag er dan misschien geen uitgesprokene zijn, maar elke rechtszaak begint ook hier met een uitdaging: “Ik heb een beter recht dan jij en ik ben bereid de duizenden euro’s die ik aan kosten kwijt ga zijn op het spel te zetten om dat te bewijzen.”
De bewijsvoering zelf is ook slechts in vorm anders. Waar de Romeinen een direct beroep deden op hun verkoper, doen wij dit indirect door middel van bonnetjes, bewijzen van geldoverschrijvingen en bankafschriften. Waar wij echter wel vreemd van op zouden kijken, is het idee van de lekenrechter. Lekenrechtspraak is indirect in vroegere tijden wel aanvaard in de schepenrechtspraak, en wordt tegenwoordig, ook indirect, in sommige landen nog wel toegepast in de vorm van juryrechtspraak, maar het is in het huidige klimaat moeilijk voor te stellen dat iemand zonder opleiding zelfstandig recht zou kunnen spreken, en dit is dan ook nog een groot verschil met het hedendaagse recht.
Waar we het dan echter wel weer over eens zijn, is dat deze rechter, in beide systemen, het laatste woord heeft.

§3 Mancipatio en de notariële akte voor res mancipi

De mancipatio, dan, doet al vrij snel denken aan de regels met betrekking tot overdracht van onroerende goederen zoals die in art. 3:89 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegd zijn. Waar het BW een akte eist omwille van publiciteit, eisten de Romeinen vijf getuigen en waar het BW spreekt van registergoederen, spraken de Romeinen van res mancipi. De vergelijking is snel gemaakt: in deze tijd is onroerend goed zo ongeveer het belangrijkst wat iemand kan bezitten; het binnentreden of onteigenen hiervan zijn zelfs twee van de vroegst geregelde onderwerpen in onze grondwet. Huizen en land zijn niet goedkoop, vandaar dat er in het BW zulke hoge eisen aan overdracht ervan gesteld worden, net als de res mancipi in het kl
assieke Rome. Hierboven is al betoogd dat grond, gebouwen, last- en trekdieren en slaven voor de vroeg Romeinse agrariër de belangrijkste middelen waren in zijn leven, net als onze huis en haard tegenwoordig voor ons. Wat ook opvalt, is dat de overdracht van onroerende zaken een stuk ingewikkelder is dan die van roerende zaken. Deze laatste hoeven volgens het Burgerlijk Wetboek immers slechts ‘in de handen van de verkrijger’ te geraken. En dat doet ons natuurlijk meteen denken aan de res nec mancipi, die ook door eenvoudige bezitsverschaffing op een andere eigenaar over konden gaan.
Aan overdracht van onroerende zaken worden dus, net als vroeger bij de res mancipi, hogere eisen gesteld: tegenwoordig door het voorschrijven van een akte, in de Romeinse tijd door het optrommelen van vijf getuigen en een weegschaal. De ene formaliteit is slechts vervangen door de ander.

§4 Traditio

Zoals zo even hierboven al opgemerkt, lijkt de traditio erg veel op de huidige wijze van overdracht van roerende niet-registergoederen. Zelfs de eisen die in art. 3:84 lid 1 BW aan de overdracht gesteld worden, komen overeen met degene die in de Romeinse tijd aan traditio werden opgelegd: “een levering krachtens geldige titel verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.” De levering is, net zoals in de oudheid, simpelweg de bezitsoverdracht, mits we niet spreken van levering constitutum possessorium, longa manu of brevi manu (daar komen we evenwel zodirect op terug). De geldige titel doet ons natuurlijk meteen denken aan de iusta causa (de woorden betekenen zelfs hetzelfde).
Snijders beschrijft de geldige titel als volgt:
“de rechtsgrond die aan de rechtsovergang en in het bijzonder de levering ten grondslag ligt,” wat wel erg veel overeenkomsten vertoont met de beschrijving van de iusta causa die Hijmans geeft. De gelijkenis is overduidelijk, ook al is de geldige titel van tegenwoordig een stuk beter omlijnd: er is nu bijvoorbeeld wél expliciet voor het causale stelsel gekozen, terwijl dit bij de Romeinen nog maar de vraag was, en er zijn inhoudelijke eisen met betrekking tot de titel geregeld, waaronder het bepaaldheidcriterium van art. 3:84 lid 2 BW, de datum van totstandkoming van de titel met het oog op art. 3:298 BW en mogelijke titelgebreken die voortvloeien uit bijvoorbeeld art. 3:40 BW of art. 3:44 BW.
Ook wat betreft de beschikkingsbevoegdheid lijkt het Romeinse systeem behoorlijk op het Nederlandse: failliete personen zijn beschikkingsonbevoegd, en geestelijk gestoorden, minderjarigen en personen die onder voogdij staan zijn handelingsonbekwaam. Verschillen zijn echter dat in de Romeinse tijd ook vrouwen handelingsonbekwaam waren (als zij onder de potestas van hun vader stonden, was hun vader bevoegd; als ze getrouwd waren hun man; en in het geval dat ze zelfstandig waren, stonden zij veelal onder de macht van een voogd), er geen vaste leeftijd bestond waarop een persoon handelingsbekwaam werd (de Romeinen werkten met een soort ‘oplopende trap’), en een voogd zich niet druk maakte om het geestelijke welzijn van zijn pupil, maar slechts om diens vermogen.
Naast de overeenkomsten in de vereisten voor overdracht, bestaat er ook een overeenkomst met betrekking tot de wijze van levering. Waar levering constitutum possessorium, brevi manu en longa manu namelijk getuigen van een moderne opvatting (de zaak hoeft immers niet letterlijk overgedragen te worden aan de tegenpartij), hinten hun namen al naar een oudere oorsprong. Alledrie deze leveringen zonder bezitsverschaffing bestonden waarschijnlijk ook al in de Romeinse tijd. Constitutum possessorium werd volgens Gordon gezien als een “a sensible arrangement to avoid a rather pointless handing over and taking back,” waarbij de vervreemder voor de verkrijger gaat houden onder een specifieke titel. Deze opvatting is gebaseerd op teksten uit de Digesten, waaronder D. 6, 1, 77 en D. 41, 2, 18. Deze teksten bewijzen dat levering c.p. in de oudheid bestond, maar waarschijnlijk slechts zelden gebruikt werd: voornamelijk bij verkoop van land, waarbij de huidige bewoner het recht kreeg op het land te blijven wonen. Traditio brevi manu, waarbij eigendom overgedragen wordt aan de persoon die het goed (zij het op basis van bruikleen, huur, of een andere reden) reeds in bezit heeft, kenden de Romeinen ook. Bewijs hiervoor kan onder andere gevonden worden in D. 6, 2, 9, 1 en D. 41, 1, 21, 1. Hoogstwaarschijnlijk was traditio brevi manu in de oudheid populairder dan traditio constitutum possessorium, omdat levering brevi manu de juridische werkelijkheid in overeenstemming bracht met de fysieke werkelijkheid: namelijk dat degene die een goed in zijn bezit had, ook eigenaar was.
Traditio longa manu, tenslotte, bestond in de oudheid waarschijnlijk ook al, ware het niet in dezelfde vorm waarin wij haar vandaag de dag kennen. Waar zij tegenwoordig een eigendomsoverdracht is waarbij de vervreemder eigendom over draagt aan de verkrijger, terwijl de zaak in handen is van een derde, was zij vroeger simpelweg een eigendomsoverdracht waarbij directe bezitsverschaffing niet nodig was. Dit kon bijvoorbeeld door de zaak in het huis van de verkrijger te leggen, door de zaak onder bewaking te stellen, of door ze simpelweg aan de verkrijger aan te wijzen.

Al met al kan men dus stellen dat er behoorlijk wat overeenkomsten bestaan tussen het oude Romeinse systeem en het moderne Nederlandse, en dat de grootste verschillen voornamelijk in de allesbepalende tijdsgeest zitten.


Hoofdstuk III — Oud recht in een nieuw jasje

§1 Algemeen

Het is misschien een vreemd idee om een eeuwenoud systeem te vergelijken met een nieuw, maar zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien, zijn er genoeg overeenkomsten om mee te werken. Dat er echter niet op elk facet van de moderne samenleving in kan worden gegaan spreekt haast voor zich, daar de Romeinen natuurlijk op geen enkele manier rekening hebben kunnen houden met dingen als wereldcorporaties, autosnelwegen en teleshopping. Daarnaast is de schaal van deze scriptie helaas ook niet dusdanig dat er uitgebreid op alles in gegaan kan worden: we houden het voor nu nog redelijk oppervlakkig. Bovendien vloeit uit het onderwerp van deze scriptie al voort dat we de bespreking tamelijk hypothetisch moeten houden: anders zou dit hoofdstuk bestaan uit een simpele “Nee, natuurlijk werkt een antiek systeem als het Romeinse niet meer in de huidige samenleving” en dat is niet de bedoeling. We gaan eens kijken of een dergelijk systeem zou kunnen werken, puur uit academische interesse.

Een voordeel wat we hierbij hebben, is in het vorige hoofdstuk ook al enigszins besproken: een hoop ‘handigheidjes’ van het huidige systeem bestonden vroeger ook al. De levering constitutum possessorium, longa manu en brevi manu is hierboven al aan bod gekomen en zullen we hier dus slechts noemen, maar ook uitstel van betaling, eigendomsverkrijging door middel van een tussenpersoon en tijdsgebonden overdracht was de Romeinen niet vreemd.

Uitstel van betaling werd mogelijk op het moment dat afwegen van brons bij de mancipatio niet meer nodig was. In vroegere tijden betaalde men met as: grote bronzen munten, die bij het slaan ervan niet altijd even goed afgewogen waren. Zodoende was het noodzakelijk bij een koop de as te wegen om zeker te zijn dat het juiste bedrag werd betaald. Met de invoering van het gemunte zilver was deze handeling niet langer nodig en stond de deur open voor alternatieve wijzen van betaling. Het wegen van de betaling werd uit het ritueel geschrapt en als herinnering hieraan werd nog met één as stuk tegen de weegschaal geslagen. De eigenlijke betaling kan vanaf dan op eender welk moment plaatsvinden, zij het vóór, of na de mancipatie zelf. Kredietverlening of uitstel van betaling was dus in het geval van mancipatio zeker mogelijk, en dit sluit mooi aan bij de hedendaagse maatschappij waarin we zelden nog grote aankopen in één keer betalen.
Watson verdedigt de opvatting dat de Romeinen ook de figuur van de directe vertegenwoordiging kenden: een vorm van vertegenwoordiging waarbij de tussenpersoon er rechtens ‘tussenuit valt’ en onmiddellijk voor zijn opdrachtgever verkrijgt. Het bewijs hiervoor vindt hij in de Digesten, met name D. 47, 2, 14, 17 en D. 41, 1, 20, 2 waarin Ulpianus spreekt over de vertegenwoordiging. De conclusie die Watson uit zijn onderzoek trekt, is dat het in de klassieke tijd al mogelijk was om via eender welke vrije man possessio voor jezelf te verwerven. Ook al is deze conclusie omstreden; indien zij steek blijkt te houden is het zeker een belangrijke ontdekking, daar het aantoont dat het Romeinse recht meer moderne trekjes heeft dan men van zulk een formalistisch systeem zou verwachten.

Een ander modern fenomeen in een iets minder modern jasje, is de eigendomsoverdracht voor een bepaalde periode. Waar we nu simpelweg een ontbindende voorwaarde aan onze overdracht kunnen verbinden, waardoor na het ingaan van die voorwaarde de eigendom terugvalt, ging het in de Romeinse tijd als volgt: Men verkoopt een zaak voor een bepaalde termijn; wanneer die termijn is afgelopen, valt het eigendom van de zaak niet terug, maar eindigt de verbintenis op basis waarvan de zaak is overgedragen. Als gevolg daarvan krijgt de verkoper een recht op teruggave van de zaak. Geen goederenrechtelijke gevolgen dus, maar verbintenisrechtelijke.

Uit deze voorbeelden blijkt al dat het Romeinse recht alles behalve kansloos is tegenover ons moderne recht, en uit het hoofdstuk hiervóór is al gebleken dat er een groot aantal overeenkomsten bestaan tussen beide systemen. Maar is dit vol
doende om te concluderen dat het Romeinse recht in deze tijd wel degelijk zou werken?

§2 Met staf en slaaf naar de arrondissementsrechtbank

In iure cessio is een omslachtige wijze van eigendomsoverdracht, waarbij naast beide partijen ook een rechter betrokken moet worden. Dit alleen al zou grote gevolgen hebben voor de rechterlijke macht in Nederland, die op het moment al dreigt overbelast te raken. Rechters zullen zich bovendien mogelijk te goed voelen om als passieve scheidsrechters keer op keer hetzelfde schertsproces te moeten doorstaan om keer op keer tot dezelfde uitspraak te komen: “het eigendom behoort de eiser toe.” Ook zullen mensen het in deze tijd (evenals reeds in de Romeinse tijd) waarschijnlijk als een té grote drempel ondervinden al de moeite te doen om een rechter in te schakelen voor iets wat ook op andere wijzen bereikt kan worden (i.c. de mancipatio of traditio). Gezien het feit dat veel van onze landsgenoten het al teveel moeite vinden naar de rechter te stappen in het geval van een misdrijf, lijkt de kans dat zij dit zouden willen doen voor een eigendomsoverdracht gering.
Aan de andere kant zou een zo formele en officiële manier van overdracht juist perfect kunnen zijn voor belangrijke zaken zoals bedrijven of grote erfenissen. De publiciteit is dankzij de openbaarheid van het gerecht meer dan op welke andere wijze dan ook gewaarborgd en de meeste uitspraken worden ook nog eens in tijdschriften met duizenden lezers opgenomen. Daarnaast is een uitspraak van de rechter een stuk duidelijker dan een hedendaags contract, waarin de overdracht van tientallen kleine lettertjes afhankelijk kan zijn. Deze kleine
lettertjes leiden in de praktijk regelmatig tot interpretatieproblemen, waardoor de zaak uiteindelijk tóch wel voor de rechter verschijnt. Een vonnis is helder en zal dan ook tot minder problemen leiden. Dientengevolge zullen er ook geen discussies meer zijn omtrent de geldigheid van de overdracht, aangezien deze volledig voor het toeziend oog van de rechter heeft plaatsgevonden.
Ook het feit dat de zaak waartoe de overdracht betrekking had in de Romeinse tijd per se aanwezig moest zijn, hoeft geen probleem te vormen voor de toepassing van in iure cessio in de huidige tijd. Het was bij onroerende zaken immers toegestaan een symbolisch deel ervan mee te nemen en bij rechten was slechts de zaak waartoe zij betrekking hadden nodig. Bij de overdracht van een bedrijf zou bijvoorbeeld de sleutel van het hoofdgebouw meegenomen kunnen worden naar de zitting, en bij een erfenis het testament. Ingewikkelder hoeven we het niet te maken om aan de eisen van de in iure cessio te voldoen.
Daar komt nog bij dat de vestiging van erfdienstbaarheden, iets wat in de oudheid hoofdzakelijk via de in iure cessio gebeurde, in het huidige recht niet bepaald gemakkelijk is: op basis van artt. 3:98 jo 3:89 BW moeten zij in een notariële akte vastgelegd worden en moet die akte vervolgens in de openbare registers worden ingeschreven. Vergeleken daarmee is een kort bezoek aan de rechtbank wellicht een stuk minder vermoeiend én goedkoper.

Een niet te onderschatten nadeel is echter dat de in iure cessio nooit bedoeld was voor dergelijke grote overdrachten. Waar voor de Romeinen overdracht van res mancipi de grootst mogelijke overdracht was, is het in onze moderne maatschappij niet buitengewoon wanneer in één contract honderden hectaren grond overgedragen worden. Iets wat ik hierboven als voordeel heb aangehaald, namelijk dat er geen kleine lettertjes zijn waarover gediscussieerd kan worden, kan in zo’n geval ook als nadeel gezien worden: die kleine lettertjes bestaan niet voor niets en zijn vaak essentieel voor het verdere verloop van de overdracht. Als een verkoper of verpachter zich niet in kan dekken tegen bepaald gebruik van diens tegenpartij, als zij geen eisen kunnen stellen aan de overdracht, zou dat een groot risico met zich meebrengen en weinig mensen zullen zich geroepen voelen een dergelijk risico aan te gaan. Een overdracht is vandaag de dag helaas niet zo ongecompliceerd meer als in vroegere tijden, waarin een simpel “ik wil van jou dit, dan krijg jij van mij dat” voldeed. Tegenwoordig gaan er weken van onderhandelingen en ettelijke berekeningen aan dergelijke grote overdrachten vooraf, en daar kan bij de in iure cessio geen enkele rekening mee gehouden worden.

Concluderend valt dus te stellen dat de in iure cessio in de huidige tijd weinig kans heeft van slagen. Naast de merkwaardige formaliteiten, vormen de hoge drempel die men vaak voelt bij het naar de rechtbank gaan en de technische problemen waarmee een gesimplificeerde vorm van eigendomsoverdracht steevast te kampen krijgt een te grote tegenslag om te negeren.

§3 Of toch liever met de weegschaal in de tuin?

De mancipatio lijkt wat dat betreft een stuk bruikbaarder. Het heeft in ieder geval al niet te kampen met een hoge ‘instapdrempel’, daar de hoofdbenodigdheden in principe zo van de straat te plukken zijn. Ik heb het dan natuurlijk over de vijf getuigen en de weegschaalhouder, die slechts ‘volwassen burger[s]’ hoeven te zijn. Het verschil met naar de rechter gaan is dan ook meteen duidelijk, en het spreekt voor zich dat mensen veel liever, zoals Gaius het al zei, ‘op eigen gelegenheid in tegenwoordigheid van vrienden’ een zaak overdragen, dan dat zij een afspraak maken bij de rechtbank. Het zou zelfs niet misstaan als een ‘gezellige Hollandse traditie’: je loopt op je gemakje door de stad, tot iemand je roept en vraagt of je even voor getuige wil spelen voor iemand die op het punt staat een lap grond te kopen. Een prachtige manier om nieuwe mensen te leren kennen en om eens wat te onthaasten.
De res mancipi waarop de mancipatio betrekking heeft zouden we kunnen moderniseren: last- en trekdieren zijn tegenwoordig niet bepaald belangrijk meer en slavernij is er al helemaal niet meer bij, maar grond, bouwwerken en de moderne vorm van lastdieren: de automobiel, boot of vliegtuig zouden niet misstaan in een lijst van dingen die belangrijk zijn in de hedendaagse maatschappij en dus via mancipatio zouden moeten worden overgedragen. Daar men dergelijke zaken over het algemeen slechts zelden aanschaft (het zijn immers zaken die jaren mee (horen te) gaan) zal de iets grotere inspanning in vergelijking met de traditio ook niet snel een onoverkoombaar probleem vormen. Voor deze zaken spreekt het zelfs voor zich dat de procedure wat uitgebreider is, daar het om kostbare spullen gaat die niet licht zullen worden vervreemd. Vergeleken met de notariële akten die tegenwoordig nodig zijn om onroerend goed en te boek staande schepen en vliegtuigen over te dragen, is de mancipatio overigens zo heel uitgebreid nog niet: terplekke vijf getuigen bijeenroepen voor een kort ritueel neemt veel minder tijd in beslag dan een notaris zoeken en alle punten doornemen.

Doordat beide partijen bij de mancipatio aanwezig moeten zijn, is het ook meteen duidelijk van wie je koopt: iets wat tegenwoordig niet altijd het geval is. Voordeel hiervan is dat je eventuele vragen direct aan de verkoper kunt stellen en je meteen weet wie je aansprakelijk kan stellen wanneer het goed niet deugt. Geen ingewikkelde procedures meer bij de klachtenservice: je gaat gewoon direct naar de verkoper. Bovendien zorgen hier de vijf andere aanwezigen, de getuigen, in mijn mening voor een duidelijkere stand van zaken dan de contracten van tegenwoordig. Zoals in de paragraaf hierboven al gesteld, zijn contracten een wirwar van regels en voorwaarden, terwijl in de Romeinse tijd een overdracht simpelweg een overdracht was: één moment in de tijd waarop een zaak van eigenaar wisselde. Vijf getuigen zien het gebeuren en vanaf dat moment ben je eigenaar van de zaak. Achteraf hoeven de ingewikkelde contracten niet meer uitgelegd te worden: je haalt simpelweg de getuigen erbij en zij zullen je vertellen wat er gebeurd is. Nu was dit in Rome natuurlijk een stuk makkelijker dan in de huidige tijd waarin we gerust enkele provincies verder willen rijden voor een bepaalde zaak, dus mochten we de mancipatio willen invoeren, zouden we wel van alle aanwezigen de persoonsgegevens moeten vastleggen. Maar dit kan relatief snel gebeuren, zeker als je het vergelijkt met de tijd die het kost om een waterdicht contract op te stellen. Overigens ben ik ook van mening dat de getuigen meer publiciteit garanderen dan de huidige methode van de notariële akte. De contracten worden in achterkamertjes getekend en de akte wordt dan wel geregistreerd, maar wanneer is de laatste keer dat u eens even naar de registers bent gaan kijken? De kans is groot dat de enige mensen die van de overdracht weet hebben de verkoper, koper en notaris zijn en dan geef ik toch de voorkeur aan de Romeinse opvatting van publiciteit: bij de mancipatio is de gemeenschap getuige, en ook al klinkt het misschien idealistisch; ik zou liever vijf getuigen hebben die ik ken dan vijftig getuigen op papier.

Helaas bestaan ook bij de mancipatio enkele zwaarwegende nadelen: ik heb hierboven wel gezegd dat de mancipatio tot gezelligheid en onthaasting kan leiden, maar de harde feiten zijn dat men in deze tijd helemaal niet zit te wachten op dergelijke taferelen. Waarom zou ik mijn waardevolle tijd verspillen aan het getuigen voor iemand die ik niet ken, alleen maar omdat hij per se een stuk grond of een auto wil kopen? In een maatschappij waarin altruïsme een steeds minder voorkomende deugd is, lijkt het moeilijk voor te stellen dat men werkelijk bereid zou zijn iemand in zo een situatie te hulp te schieten. Een mogelijke uitkomst is dan echter natuurlijk wel de familie, die waarschijnlijk geen problemen zouden hebben met even langskomen als je besluit
je huis, grond of auto te verkopen.
Daarnaast zullen de getuigen, als je ze al te pakken krijgt, waarschijnlijk ook weinig zin hebben voor elk dispuut met betrekking tot de zaak naar de rechtbank te komen om te herhalen wat zij hebben gezien. Er is een reden waarom we deze vorm van publiciteit hebben afgeschaft. Het moge dan misschien praktischer klinken in theorie; in de praktijk is het natuurlijk gemakkelijker om er een stuk papier bij te pakken, dan om vijf mensen op te sporen en bijeen te brengen.

Een ander nadeel, wat misschien wel het vanzelfsprekendst is, is dat men de formaliteiten die men in de Romeinse tijd heel gewoon vonden, vandaag de dag als enorm vreemd zullen ervaren. Waarom sla ik met een bronzen munt tegen een weegschaal terwijl ik ook gewoon mijn handtekening had kunnen zetten? Het is echter natuurlijk wel zo dat dergelijke gewoonten met der tijd ingeburgerd kunnen raken, waarop niemand er meer bij stil staat, maar aanvankelijk zal het een erg hoge drempel zijn om te overkomen. Bovendien zouden de klassieke formaliteiten met zich meebrengen dat er overal, of toch op zijn minst in elk gehucht, een of meer weegschalen aanwezig zouden moeten zijn. Want wat als iemand aan de ene kant van Amsterdam een boot wil kopen, terwijl iemand aan de andere kant net een auto aan heeft geschaft? Elke handelaar en grondbezitter zou een weegschaal in de tuin moeten hebben staan om aan de wettelijke vereisten voor overdracht te voldoen, en als een particulier zijn huis wil verkopen zal hij er ook een nodig hebben. Dan lijkt een stukje papier opeens een stukke beter idee.

Ten slotte is de aanwezigheid van beide partijen misschien als een voordeel te zien, maar
veel meer mensen zullen het als nadeel bestempelen, daar de e-commerce, iets wat tegenwoordig enorm populair is, niet meer mogelijk zou zijn. Even via internet een auto bestellen vanuit de andere kant van Nederland, of zelfs uit een ander land, is er niet meer bij als dit betekent dat beide partijen enorme afstanden moeten overbruggen om de koop te sluiten.

Er valt dus te stellen dat de mancipatio in een kleine gemeenschap in de huidige tijd wel mogelijk zou zijn, maar in een heel land zou het voor teveel moeilijkheden zorgen.

§4 Gelukkig is er altijd de bezitsverschaffing nog

De traditio leeft eigenlijk, zoals wij hebben gezien, in ons huidige systeem nog steeds in zijn oude vorm voort. Een vervanging van de hedendaagse regels met die van de oudheid zal dan ook niet direct tot grote problemen leiden. De simplificatie van de regels zal veel mensen waarschijnlijk zelfs aanspreken. In het dagelijks verkeer merken de meeste mensen echter nu al weinig van het onderliggende rechtssysteem, en dat zal met de invoering van de traditio als wijze van eigendomsoverdracht niet veranderen. Je gaat naar de winkel, legt iets op de toonbank, betaalt het, en loopt weg: aan deze standaard handelingen hoeft niets te veranderen. De traditio lijkt dan ook verreweg het meest geschikt om de toets van de huidige samenleving te doorstaan, maar schijn bedriegt.

In de overdracht zelf mag dan wel weinig veranderen, het is hetgeen daarna gebeurt waar de problemen zich opstapelen. Waar het tegenwoordig voldoende is een bewijs van aankoop te tonen wanneer je je eigendom wil bewijzen, was het vroeger noodzakelijk aan te tonen dat je op een legitieme wijze aan de zaak bent geraakt, dus bijvoorbeeld doordat je de zaak meer dan één jaar in bezit hebt gehad, of in het geval van mancipatio door je verkoper en getuigen erbij te halen. In het geval dat de zaak je was overgedragen door middel van traditio, echter, was het niet mogelijk getuigen op te roepen (die waren er immers niet) en kon je ook geen beroep doen op degene die je de zaak verkocht had. Als je bij de overdracht dus geen akte had opgesteld (iets wat in de klassieke oudheid pas slechts zelden gebeurde), moest je eigenhandig jouw eigendom én dat van je voorganger aantonen. Dit is natuurlijk een onbegonnen zaak en vergeleken met het huidige bewijsrecht een lachertje.
Daar komt nog bij dat ook voor traditio beide partijen (eventueel door middel van een tussenpersoon) aanwezig moesten zijn, wat bij e-commerce nog grotere gevolgen heeft dan bij de res mancipi. Het komt misschien zelden voor dat je een auto, boot of vakantiehuisje via het internet aanschaft, maar koop van roerende zaken als dvd’s, boeken en elektronica vind tegenwoordig enorm vaak plaats. Al deze mensen zouden, als wij het Romeinse stelsel aanhouden, naar het hoofdkantoor van de desbetreffende verkoper moeten rijden, alwaar zij de zaak in handen kunnen nemen. In één klap zou dus het hele voordeel van de koop op afstand, namelijk dat je de deur niet uit hoeft, ongedaan worden gemaakt. Daarenboven zal dit ongetwijfeld leiden tot een commercieel isolement van Nederland als handelsstaat, want wie wil er nu iets kopen uit een land, wanneer je je daadwerkelijk helemaal naar dat land moet verplaatsen om de zaak in handen te nemen? Veel, al dan niet alle, internationale klanten zullen hun heil elders zoeken.

Hoofdstuk IV — Conclusie

We hebben gezien hoe eigendomsoverdracht in de klassieke oudheid in haar werk ging, wat de overeenkomsten en verschillen zijn met het huidige systeem, en we hebben nagedacht over hoe dit eeuwenoude systeem geïmplementeerd zou kunnen worden in de hedendaagse Nederlandse rechtsorde. De conclusie die hierbij bereikt is, namelijk dat het Romeinse recht alleen in de huidige tijd zou werken met ofwel veel aanpassingen, ofwel wanneer het toegepast zou worden in een kleine gemeenschap, zal voor veel lezers onverrassend zijn geweest. Hoe kan het immers ook anders, met alle hedendaagse ontwikkelingen en moderne opvattingen?
De schrijver had aanvankelijk een ander idee: ik had eigenlijk verwacht dat het best eens zou kunnen werken. Gedurende mijn gymnasiale en universitaire opleiding ben ik geïntrigeerd geraakt door de oude Romeinen en hun ‘rare’ wetten en gewoonten. Ik verwachtte werkelijk dat een systeem door deze grootse Romeinen bedacht de tand des tijds met gemak zou kunnen doorstaan…maar helaas moet zelfs ik toegeven dat dit niet het geval is. Ik had geen rekening gehouden met de internationale gerichtheid van de markt en de moderne “we rijden wel even naar de andere kant van Nederland voor een winkel” mentaliteit. Daarnaast heb ik ook de ontwikkeling die het recht in al deze eeuwen heeft ondergaan, onderschat.

Ons recht mag dan misschien niet ‘beter’ zijn dan dat van de Romeinen, het is toch in ieder geval beter geschikt voor de tijd waarin wij leven. Maar zoals Clark-Hare het zo mooi zei: “No law can be made that will hold good in every age, and under different social conditions.”

Advertisements

Comment

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Information

This entry was posted on 6 November 2009 by in Studies and tagged , .

For e-mail updates!

Join 65 other followers

Forgotten Tomes

Statistics

  • 25,084 Minds Expanded

Instagram

From #temples to #churches.

#church #Korea #SouthKorea #Seoul #religion #Christian #Christianity #cross #Korean #spooky #spoopy #filter #woods #교회 #무서워 #서울 #기독교 I had a great time working with #SBS on their new program #내방안내서 in the beautiful #Mihwangsa #temple. I'm sure that @zazimusic has made @haemin_sunim proud with their song based on his book, #멈추면비로소보이는것들.
며칠동안 #미황사 에서 시간을 보내는 게 큰 인상을 주었고 만난 사람들 너무 친절하게 챙겨서 감사하는 말 밖에 못 한다.
다들 #수고했어.

#Korea #SouthKorea #tv #filming #television #tvshow #Koreantv #Buddhism #Buddha #traditional #절 #불교 #텔레비전 #쇼 #촬영 #버라이어티 #발송 I came back to #Seoul yesterday. Waking up to the sound of cars passing under my window and people shouting instead of the sound of the waves rolling over the beach and bugs chirping, I realized again that a part of me hates this city, no matter how much I love it. Now I understand why #혜민스님 makes the trip back to #미황사 so often even though he lives in Seoul as well.

For people living in a big city like this, it's important to #slowdown and not get caught and lose yourself in the flow of things. Life in the #countryside and in a #temple is so different, so much more #empty, but so much more fulfilling.

#Korea #SouthKorea #Mihwangsa #color #peace #reflection #religion #Buddhism #Buddha #tranquility #traditional #절 #평화 #불교 #해남 #108배 #전통 #역사 #생각 #자성 #내이야기 #미황사 에서 사흘밖에 안 보냈는데, 그래도 #생각 을 많이 바뀌었다. #성찰 하면서 내 한국 생활도 생각하고 한국 사람들의 #촌 을 생각하면서 왜 한국이랑 사랑에 빠졌는지 다시 깨달았어요. 한국에서 사는 것이 선물이니까.. 잘 살아야지.

#절라도 #절라남도 #절 #평화 #불교 #해남 #혜민스님 #Korea #SouthKorea #Temple #Shrine #tranquility #peace #reflection #religion #Buddhism #Buddha #혜민스님 의 #미황사 에서 #멈추면비로소보이는것들 많다. #절 의 #평화 를 느끼고 마음을 비우면서 깊은 생각도 하고 한국 생활을 #감사 하는 생각도 많고.. 한국이 역시 #아름다운 나라입니다. 
Another gorgeous #sunset at #Mihwangsa #temple.
I am so thankful to #SBS and 혜민스님 for letting us stay here.
Just like the title of his book, there are many things you can only see when you #slow down. Staying at the temple and talking with the staff has taught me once again that Korea is an amazing country, and I couldn't be happier to be here. 
#nofilter #Korea #SouthKorea #island #traditional #tranquility #nature #wood #meditation Everything is more beautiful in #Jeollanamdo, even a #sunset.

#nature #Korea #SouthKorea #sea #island #절라도 #절라남도 #바다 #섬 #자연 #일몰
%d bloggers like this: